Addendum

Deze richtlijn Fysiotherapeutische dossiervoering 2016 van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) beschrijft de systematische vastlegging van genoemde gegevens en vervangt de richtlijn Fysiotherapeutische verslaglegging van 2011.

De term ‘dossiervoering’ sluit beter aan bij de WGBO en de, door de overheid gewenste, totstandkoming van een duurzaam informatiestelsel voor de zorg.In dit stelsel staan de patiënt en het persoonlijk gezondheidsdossier (PGD) van de patiënt centraal.

Ten behoeve van de totstandkoming van dit stelsel is door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) het Informatieberaad Zorg ingesteld, waarvan het KNGF sinds april 2015 deel uitmaakt.

Historie

In 1993 publiceerde het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) haar allereerste richtlijn, de Richtlijnen voor de Fysiotherapeutische Verslaglegging.Het KNGF wilde daarmee aan fysiotherapeuten een leidraad bieden bij het methodisch fysiotherapeutisch handelen en het registreren van gegevens die in dat kader relevant waren. De richtlijn beschreef, per stap van het methodisch handelen, welke gegevens(groepen) relevant waren in het kader van verslaglegging. Hierbij werd de nadruk gelegd op wat minimaal moest worden vastgelegd.

Tien jaar later, in 2003, publiceerde het KNGF, na een uitgebreide discussie met het veld, een nieuwe, herziene versie, de 'KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische Verslaglegging'.2 Deze nieuwe versie was noodzakelijk, gezien de ontwikkelingen die het beroep sinds 1993 had doorgemaakt en de veranderingen in de gezondheidszorg als geheel, inclusief die op het gebied van wet- en regelgeving.

Vier jaar later werd, vooral door de introductie van de Directe Toegankelijkheid Fysiotherapie (DTF) per januari 2006,3 en de op stapel staande invoering van de wetgeving rond het burgerservicenummer (BSN), besloten tot een nieuwe, zij het beperkte herziening in 2007. bDe 'KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische Verslaglegging' is met ingang van 2008 een richtlijn die jaarlijks wordt beoordeeld op haar actualiteit, waarmee het een ‘levende’ richtlijn is geworden. Het methodisch handelen moet immers steeds aansluiten bij de meest actuele ontwikkelingen in het fysiotherapeutisch handelen zoals beschreven in de zorginhoudelijke richtlijnen van het KNGF.

Kritische vragen uit het veld rond de toepasbaarheid en de hanteerbaarheid van de richtlijn en over de administratieve last, hebben in het najaar van 2010 geleid tot de beslissing de richtlijn van 2007 te herzien. De geactualiseerde versie van de KNGF-richtlijn verslaglegging uit 2007 is op 1 april 2011 gepubliceerd.4

Het met de herziening beoogde doel is echter niet bereikt. Nog steeds worden kanttekeningen geplaatst bij de toepasbaarheid en hanteerbaarheid van de richtlijn. Een veel gehoord signaal is, dat de fysiotherapeut niet (meer) wordt aangesproken op het eigen beoordelingsvermogen. Ook lijkt het of het registreren is verworden tot een doel op zichzelf en bestaat groot verzet tegen de opgelegde verplichtingen om – naar het oordeel van de professional veelal betekenisloze – gegevens te registreren. De roep om actualisering van de richtlijn 2011 is beroepsgroep breed.

Een andere belangrijke reden om de richtlijn verslaglegging 2011 te herzien, betreft de afspraken die de minister van VWS heeft gemaakt om, samen met stakeholders, vertegenwoordigd in het Informatieberaad, te komen tot een duurzaam informatiestelsel voor de zorg. Het oplossen van knelpunten bij de overdracht van dossiergegevens en de realisatie van een persoonlijk gezondheidsdossier (PGD) voor iedere patiënt speelt daarbij een cruciale rol. Dit alles heeft geresulteerd in de vernieuwde richtlijn verslaglegging die verder gaat onder de naam 'KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische Dossiervoering 2016'.

Duurzaam informatiestelsel voor de zorg

De afhankelijkheid van een goed functionerende ICT-omgeving groeit in snel tempo. Afspraken en het toepassen van standaarden zijn nodig om ICT-processen goed op elkaar af te stemmen. In rapporten van de Inspectie voor de Volksgezondheid (IGZ) en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RV&S, voorheen: Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, RVZ) wordt gewezen op een aantal knelpunten in de samenwerking tussen IT-systemen, die leiden tot inefficiency, toename van administratieve lasten en frustratie bij zorgverleners. In deze rapporten wordt geadviseerd om deze knelpunten op te lossen door afspraken te maken en IT-standaarden toe te passen, teneinde de benodigde ‘interoperabiliteit’ tussen IT-systemen te bewerkstelligen, opdat zorgverleners en patiënten daarvan kunnen profiteren.

Mede op basis van deze aanbevelingen stelt de overheid, samen met stakeholders (vertegenwoordigd in het Informatieberaad), een meerjarenagenda vast, om te komen tot een duurzaam informatiestelsel voor de zorg. Primair doel is om, op de kortst mogelijke termijn, bestaande knelpunten op te lossen.5 Zie onder meer de Kamerbrief van de minister van VWS.

Het KNGF heeft de missie, doelstellingen en uitgangspunten van het Informatieberaad onderschreven.6 Belangrijke speerpunten zijn gegevensuitwisseling in de keten en vermindering van de administratieve lastendruk door de aanpak van onnodige registraties, registratie aan de bron, eenmalige invoer en meervoudig gebruik van gegevens (zoals digitale verwijsinformatie). Cruciaal daarbij is dat de beroepsgroep kan profiteren van landelijke standaarden.7

Mede om die reden is de 'NHG-KNGF informatiestandaard voor gestructureerde informatie-uitwisseling huisarts fysiotherapeut 'ontwikkeld.8 Deze standaard, die is gebaseerd op de 'NHG/KNGF-Richtlijn Gestructureerde informatie-uitwisseling tussen huisarts en fysiotherapeut,9 is door het Informatieberaad van toepassing verklaard,10 en om dezelfde reden opgenomen in de Kwaliteitsbibliotheek van Zorginstituut Nederland.11 
De relatie tussen onderhavige richtlijn Fysiotherapeutische dossiervorming 2016, de 'NHG/KNGF-Richtlijn Gestructureerde informatie-uitwisseling tussen huisarts en fysiotherapeut' en de daarvan afgeleide standaard, bij de ontwikkeling van het PGD is evident.


Definitie van het persoonlijk gezondheidsdossier (PGD)

  • Is een universeel toegankelijk, voor leken begrijpelijk, gebruiksvriendelijk en levenslang hulpmiddel om relevante gezondheidsinformatie te verzamelen, te beheren en te delen, en om regie te kunnen nemen over gezondheid en zorg en om zelfmanagement te ondersteunen via gestandaardiseerde gegevensverzamelingen voor gezondheidsinformatie en geïntegreerde digitale zorgdiensten. 
  • Wordt beheerd en/of gedeeld door de patiënt of zijn wettelijke vertegenwoordiger. 
  • Is op zodanige wijze beveiligd dat de vertrouwelijkheid van gezondheidsgegevens en de privacy van de gebruiker worden beschermd. 
  • Is geen wettelijk medisch dossier, tenzij aldus gedefinieerd en daarom onderworpen aan wettelijke beperkingen.

Bron: Patiëntenfederatie NPCF12


Opbouw van de richtlijn

De richtlijn bestaat uit de volgende onderdelen:

  1. de Praktijkrichtlijn Fysiotherapeutische dossiervoering 2016, met een addendum
  2. de Verantwoording en toelichting, met daarin een uiteenzetting van de keuzen die bij de totstandkoming van de praktijkrichtlijn zijn gemaakt

Definitie van een landelijke richtlijn

‘Een richtlijn is een document met aanbevelingen, gericht op het verbeteren van de kwaliteit van de zorg, berustend op systematische samenvattingen van wetenschappelijk onderzoek en afwegingen van de voor- en nadelen van de verschillende zorgopties, aangevuld met expertise en ervaringen van zorgprofessionals en zorggebruikers.’ (Bron: 'Richtlijn voor Richtlijnen', Regieraad Kwaliteit van Zorg, 2012.13)


Richtlijnen dienen beschouwd te worden als een hulpmiddel bij het nemen van beslissingen en het maken van keuzen in de praktijk door zorgprofessionals en (potentiële) zorggebruikers, waarbij zorgprofessionals de richtlijn tevens gebruiken voor het bijhouden van kennis, voor onderwijs- en nascholingsdoeleinden en voor het opstellen van samenwerkingsafspraken. Een richtlijn is geen doel, maar een middel om aan te geven welke handelingen in welke volgorde en onder welke omstandigheden verricht moeten worden, opdat de juiste zorg zo goed mogelijk wordt geleverd.13

Richtlijnen zijn geen dwingende voorschriften. Zij bevatten expliciete, zoveel mogelijk op evidentie gebaseerde aanbevelingen en inzichten waaraan zorgverleners behoren te voldoen om kwalitatief optimale zorg te verlenen. Aangezien deze aanbevelingen hoofdzakelijk gericht zijn op de ‘gemiddelde patiënt’ en de praktijk meestal complexer is dan in de richtlijn weergegeven, kunnen zorgverleners – en moeten ze soms – in individuele gevallen afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Wie contrair aan een aanbeveling uit een richtlijn handelt, moet dat motiveren in het zorgdossier. Naarmate de aanbeveling stringenter is opgesteld, wordt het afwijken uitgebreider verantwoord in het zorgdossier.

Aan de richtlijnen zijn indicatoren gekoppeld die een aanwijzing zijn voor de kwaliteit van de fysiotherapeutische zorg. Het KNGF vindt dat toetsing op het gebruik van de richtlijnen een verantwoordelijkheid is van de fysiotherapeut (bijvoorbeeld door intervisie en visitatie) in overleg met de beroepsgroep.

 

Een KNGF-richtlijn is bedoeld om de fysiotherapeut houvast te bieden en om uniformiteit in de werkwijze van fysiotherapeuten te bevorderen, teneinde de kwaliteit te verbeteren van de fysiotherapeutische zorgverlening (met als kernwoorden: ‘doeltreffend’, ‘doelmatig’ en ‘patiëntgericht’). Een richtlijn bevat geen vrijblijvende aanwijzingen, maar is ook niet bedoeld als keurslijf. Het is mogelijk ervan af te wijken, mits voldoende gemotiveerd. De verantwoordelijkheid voor de eigen dossiervoering blijft daarmee berusten bij de individuele fysiotherapeut. De richtlijn is bedoeld voor alle fysiotherapeuten in alle werkvelden, waarbij er van wordt uitgegaan dat het methodisch handelen voor alle fysiotherapeuten in wezen hetzelfde is, al verschilt de zorg uiteraard per werkveld. Zo zal de zorg in een ziekenhuis vaak kortdurend zijn, tegenover langdurig in een verpleeghuis, en is veel van de ziekenhuiszorg in protocollen vastgelegd, terwijl in een verpleeghuis veelal multidisciplinair wordt gewerkt. Dit heeft natuurlijk consequenties voor de dossiervorming. 

Ook gegevens betreffende het machtigings- en declaratieverkeer worden werkveldafhankelijk vastgelegd.
In deze richtlijn wordt vanuit het methodisch handelen aangegeven welke voor de fysiotherapie relevante gegevens in het dossier dienen te worden vastgelegd. Behandeldoelen en voorkeursverrichtingen (behandelwijze) zoals beschreven in specifieke inhoudelijke protocollen, die door de fysiotherapeut daadwerkelijk bij die individuele cliënt worden gebruikt c.q. toegepast, hoeven niet te worden vermeld, op voorwaarde dat in het dossier wél is opgenomen dat men volgens het desbetreffende protocol werkt.

Met andere woorden, als volgens een specifiek protocol wordt gewerkt, hoeven alleen te worden vastgelegd:

  • het protocol, eventueel met versie, volgens welke wordt gewerkt
  • gegevens die níet al in het protocol staan
  • gegevens die afwijken van het protocol

Wijze van registreren

De wet doet geen uitspraak over het te gebruiken medium voor de dossiervoering. Hoewel het in relatie tot de patiënt en ketenpartners vragen zal oproepen, is het dus strikt genomen toegestaan om het medium papier te gebruiken. Deze richtlijn dossiervoering veronderstelt de vastlegging van dossiergegevens op een digitaal medium (EPD). Ook gaat deze richtlijn uit van een optimale ondersteuning door ICT om het aantal noodzakelijke (registratie)handelingen van de fysiotherapeut te beperken.

Slimme ICT biedt de fysiotherapeut de mogelijkheid tot hergebruik van gegevens:

  • die reeds eerder (eenmalig) aan het systeem zijn toegevoegd
  • die automatisch worden gegenereerd (systeemgegevens) 
  • die worden geregistreerd op basis van het contact met de cliënt
  • die door anderen zijn vastgelegd en na ontvangst door adequate verwerking aan het dossier worden toegevoegd, wat wordt bereikt door toepassing van daarvoor ontwikkelde standaarden.

Adequate verwerking van gegevens die uit andere bron zijn ontvangen, bewaakt de authenticiteit, en voorkomt fouten en onjuiste interpretaties. Tevens wordt de patiënt niet lastiggevallen met vragen naar zaken die reeds eerder (in dit geval door de huisarts) zijn vastgelegd. Wordt het dossier aan het papier toevertrouwd, dan dienen alle gegevens die digitaal automatisch zouden zijn toegevoegd (zoals behandelaar, behandel- en evaluatiedatum etc.) handmatig te worden geregistreerd.

Onderhavige richtlijn gaat ervan uit dat de 'NHG/KNGF-Richtlijn Gestructureerde informatie-uitwisseling tussen huisarts en fysiotherapeut',9 wordt toegepast, en dat de daarvan afgeleide standaard, de 'NHG-KNGF informatiestandaard gestructureerde informatie-uitwisseling huisarts fysiotherapeut'8 is geïmplementeerd, en dat de fysiotherapeut daarbij wordt ondersteund door zijn ICT-omgeving.

De richtlijn houdt er rekening mee dat een toenemend aantal fysiotherapeuten gebruikmaakt van de 'International Classification of Functioning, Disability and Health' (ICF),14,15 dan wel de 'International Classification of Functioning, Disability and Health for Children and Youth' (ICF-CY).16 Bij gebruik van de ICF wordt verondersteld dat de praktiserend fysiotherapeut niet wordt lastiggevallen met de codes zelf, maar dat de ICT-omgeving zorg draagt voor een deugdelijke ‘vertaling’ van de codes in de bij de code behorende omschrijving.

Gebruik van de ICF wordt geadviseerd, maar is niet verplicht. Soms bestaat een sterke voorkeur voor vrije tekst of maakt men gebruik van eigen codes of een eigen classificatie. Het KNGF adviseert wel om, waar dit van toepassing is, gegevens gestandaardiseerd vast te leggen door gebruik te maken van classificaties of codestelsels die (inter)nationaal zijn vastgesteld.

Functie van dossiervoering

Dossiervoering ondersteunt het methodisch handelen en biedt de fysiotherapeut de mogelijkheid het eigen handelen te bewaken, te sturen en te evalueren. Dossiervoering onderbouwt daarmee het eigen handelen. Dossiervoering heeft ook tot doel de continuïteit van zorg te borgen en is van groot belang bij de overdracht van gegevens ten behoeve van de samenwerking met andere zorgverleners en de patiënt.

Samengevat zijn de hoofddoelen van dossiervorming:

  1. ondersteunen van het eigen handelen van de fysiotherapeut (het bieden van een geheugensteun)
  2. borgen van de continuïteit van de behandeling
  3. gegevensoverdracht met andere zorgprofessionals en de patiënt

Andere mogelijke, eveneens belangrijke doelen van dossiervoering, zoals onderlinge toetsing (intervisie), wetenschappelijk onderzoek en externe verantwoording, worden in deze richtlijn buiten beschouwing gelaten.17

Inleiding

Volgens artikel 454 BW van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) wordt de fysiotherapeut geacht een dossier in te richten dat gegevens bevat over de gezondheid van de patiënt, de uitgevoerde verrichtingen en andere gegevens die voor een goede hulpverlening noodzakelijk zijn. 

Voor een optimale zorgverlening en gegevensoverdracht is het van belang dat deze gegevens systematisch worden vastgelegd.1

De richtlijn Fysiotherapeutische dossiervoering 2016 bestaat uit deze ‘Praktijkrichtlijn’ met bijbehorend ‘Addendum’ en een ‘Verantwoording en toelichting’, met daarin een uiteenzetting van de keuzen die bij de totstandkoming van de praktijkrichtlijn zijn gemaakt. De ingangsdatum is 1 januari 2016.

Welke gegevens dient het dossier te bevatten?

Op grond van de hoofddoelen van dossiervoering en op grond van de geldende kwaliteitseisen voor het fysiotherapeutisch handelen, waarvan dossiervoering integraal deel uitmaakt, dient het dossier de navolgende gegevens te bevatten:

Besloten is om met ingang van 2016 onderscheid te maken tussen de volgende typen gegevens:

  • basisgegevens (daartoe behoren ook systeemgegevens);
  • conditionele gegevens;
  • administratieve gegevens (hiertoe behoren ook systeemgegevens) voor zover deze niet het declaratieproces betreffen.

Basisgegevens

Basisgegevens vormen het fundament van het dossier en mogen daarin, op basis van wet- en regelgeving, dus niet ontbreken. Basisgegevens worden vastgelegd door de fysiotherapeut. Een belangrijk deel van deze gegevens is reeds beschikbaar voordat het dossier wordt aangemaakt. Bijvoorbeeld: naam behandelend fysiotherapeut en systeemdatum. Het uitvoeren van een controle of een enkele selectie daargelaten, worden deze gegevens dus aan het dossier toegevoegd zonder dat daarvoor een handeling van de fysiotherapeut wordt gevraagd.

Conditionele gegevens

Conditionele gegevens worden vastgelegd als de omstandigheden of bevindingen daartoe aanleiding geven. Overeenkomstig de basisgegevens, is registratie van gegevens in die specifieke situaties verplicht. Bijvoorbeeld: een toelichting bij ‘niet-pluis’ na screening. Ingeval er sprake is van een voorbehouden of bijzondere handeling tijdens onderzoek en/of behandeling is eveneens het registreren van de toestemming vereist.
Daarnaast is conditioneel datgene wat de behandelend fysiotherapeut als relevant ervaart bij de anamnese en het onderzoek of tijdens het behandelingsverloop. Bijvoorbeeld: Aanvraag voor nadere diagnostiek of gegevens van de huisarts bij DTF.

Administratieve gegevens

Administratieve gegevens zijn gegevens die worden vastgelegd ten behoeve van het machtigings- en declaratieverkeer. Verwijzend naar het gestelde bij de basisgegevens is een belangrijk deel van deze gegevens reeds in het systeem beschikbaar en ook hiervoor geldt dat, met uitzondering van het uitvoeren van een controle of een enkele selectie, deze gegevens aan het dossier worden toegevoegd zonder dat daarvoor een handeling van de fysiotherapeut wordt gevraagd.

Wie is verantwoordelijk voor het toevoegen van de gegevens aan het dossier?

De fysiotherapeut is verantwoordelijk voor de inhoud van het dossier. Tevens mag worden verwacht dat aan het dossier toegevoegde (systeem)gegevens door de fysiotherapeut worden gecontroleerd.
Administratieve gegevens kunnen door anderen dan de fysiotherapeut zelf worden vastgelegd. De verantwoordelijkheid voor de vastlegging in het kader van de fysiotherapeutische dossiervoering blijft berusten bij de fysiotherapeut. De fysiotherapeut kan echter geen verantwoording nemen voor gegevens die uit andere bron worden betrokken.

Dossiervoering in relatie tot het zorgverleningsproces

Methodisch handelen ligt ten grondslag aan het zorgverleningsproces en daarmee aan de fysiotherapeutische dossiervoering. Deze richtlijn beschrijft de fasen van het methodisch handelen en de basisgegevens, de conditionele gegevens en de administratieve gegevens, die per fase moeten worden vastgelegd.

B Ontwikkelingen

In deze Verantwoording en toelichting wordt op meerdere plaatsen gerefereerd aan de rol die de informatie- en communicatietechnologie speelt. Ontwikkelingen voltrekken zich snel en de omvang van de toepassingsmogelijkheden groeien explosief. Zo snel en explosief dat ook dit document direct na publicatie al niet meer aansluit bij de actuele situatie.

Om u toch op de hoogte te houden van ontwikkelingen en achtergronden die de processen en randvoorwaarden van de ICT-toepassing betreffen, informeren we u via digitale nieuwsbrieven en de website van het Programma van Eisen Fysio-EPD.25

A Wet- en regelgeving en jurisprudentie

In deze paragraaf wordt een beknopte toelichting gegeven op de voor het dossier relevante wet- en regelgeving. Wet- en regelgeving is per definitie vatbaar voor veranderingen. Fysiotherapeuten wordt daarom aangeraden om altijd de meest recente versie van de desbetreffende wet te raadplegen (bijvoorbeeld via www.wetten.overheid.nl).

De volgende wetten bevatten bepalingen die van invloed zijn op de dossiervoering van hulpverleners in de gezondheidszorg en daarmee dus ook op die van fysiotherapeuten: de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP), de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), de Kwaliteitswet zorginstellingen (KWZ), de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Wabb) en de Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg (Wbsn-z). Het burgerservicenummer (BSN) wordt gebruikt voor de identificatie van de patiënt. Alle zorgverleners/aanbieders/indicatieorganen en verzekeraars zijn verplicht om bij alle vormen van communicatie (zowel zorginhoudelijk als financieel-administratief) dat nummer te vermelden.

Hierna volgt een korte toelichting op de WBP, de Wet BIG en de WGBO in relatie tot dossiervoering. De overige eisen die aan dossiervoering worden gesteld die voortvloeien uit de WGBO en de WBP hebben eerder betrekking op de wijze waarop beroepsbeoefenaren geacht worden óm te gaan met hun dossiervoering dan op de gegevens die vastgelegd moeten worden (lees meer over deze eisen). Tot slot worden de twee wetten rond het BSN kort toegelicht.

C Omgaan met dossiervoering

Aan de dossiervoering door fysiotherapeuten worden eisen gesteld op grond van wet- en regelgeving en jurisprudentie en/of door de beroepsgroep. Daarbij kan sprake zijn van globale, gedetailleerde, inhoudelijke of procedurele eisen.

Aandoening X

Aanbevelingen


Aanmelding

  • Lorem ipsum dolor sit amet
  • Consectetuer adipiscing elit
  • Aenean commodo ligula eget dolor 

Diagnose

  • Etiam rhoncus
  • Maecenas tempus, tellus eget condimentum rhoncus
  • sem quam semper libero

 


 

1 Inleiding

Het doel van dit statement is:

  1. het fysiotherapeutisch diagnostisch proces en het methodisch handelen bij patiënten die met een acuut knieletsel bij de (sport)fysiotherapeut komen te onderbouwen met wetenschappelijk bewijs en
  2. de kwaliteit van het (sport)fysiotherapeutisch handelen te bevorderen.

Er is gezocht naar een antwoord op de volgende vragen:

  1. Welke onderdelen van het fysiotherapeutisch diagnostisch onderzoek zijn betrouwbaar, valide en bruikbaar voor de dagelijkse praktijk bij patiënten met een acuut knieletsel?
  2. Hoe kan vanuit het fysiotherapeutisch diagnostisch proces een behandelplan opgesteld worden voor patiënten met een acuut knieletsel?

Het statement is een handleiding voor de practicus. Wetenschappelijke onderbouwing wordt toegelicht in de noten.

De werkwijze die is gehanteerd bij de ontwikkeling van dit statement en de literatuursearch is opgenomen in noot 1.

1.1
Epidemiologie

Jaarlijks vinden er in Nederland 860.000 knieblessures plaats tijdens het sporten; dit is 20% van alle sportblessures (tabel 1).

Tabel 1. Knieblessures door sport: omvang van de problematiek.*

                                                      Aantal blessures Aantal behandelingen
totaal aantal knieblessures  860.000  
medisch behandelde knieblessures 350.000  
fysiotherapeut  210.000 1.500.000
huisarts/huisartsenpost  130.000 170.000
specialist, polikliniek  10.000  
SEH-behandeling  270  

SEH = Spoedeisende hulp. * Bij de behandeling van een knieblessure kunnen verschillende behandelaars zijn betrokken; optellen van het aantal blessures kan daarom tot dubbeltelling leiden en daarmee tot incorrecte totaalaantallen (Bron: VeiligheidNL. Knieblessures. Beschikbaar via: Veiligheid.nl. Geraadpleegd juni 2013).

Behalve dat knieblessures hiermee de hoogste incidentie hebben (d.w.z. een knieblessure is de meest voorkomende nieuwe sportblessure), hebben ze ook de hoogste prevalentie (d.w.z. de meest voorkomende sportblessure op een bepaald moment). Een acuut knieletsel is vaak het gevolg van een trauma bij sport, maar kan ook ontstaan bij min of meer normale bewegingen in het dagelijks leven. De bekendste acute knieletsels zijn meniscusletsels en (voorste-)kruisbandrupturen.

Knieblessures leiden eerder tot blijvende beperkingen dan blessures aan andere perifere gewrichten (De Loes et al., 2000; Dekker et al., 2003). Het is mogelijk dat het ontbreken van standaarden voor onderzoek van acute knieletsels, waardoor een juiste diagnose (te) laat wordt gesteld en adequate behandeling en begeleiding te laat worden ingezet, hier een rol in speelt (Oberlander et al., 1993; Murphy & Knight, 2002; Dekker et al., 2004; Diercks, 2005; Belo et al., 2010). Een sporter met een knieletsel doet er gemiddeld vier bezoeken, vier verschillende artsen, drie werkdiagnosen en in totaal zes weken over voordat een diagnose is gesteld (Diercks, 2005).

1.1
Inleiding

Naast de algemene beschrijving van het diagnostisch proces, wordt in dit hoofdstuk duidelijk aangegeven welke testen per acuut knieletsel uitgevoerd kunnen worden.

1.1
3 Therapeutisch proces

De werkgroep beveelt aan om bij acuut knieletsel direct na het trauma te starten met een fysiotherapeutische behandeling gedurende een periode van zes weken. Uitzondering hierop zijn de types acuut knieletsel waarvan binnen één week na het trauma de diagnose wordt bevestigd en mogelijke doorverwijzing plaatsvindt voor het aanmeten van een brace, of omdat gipsbehandeling aanbevolen wordt.

Dit is het geval bij:

  • AKB-letsels (gips)
  • sMCL en PMC-letsels graad B, C en D (brace)
  • LCL- en PLC-letsels graad B, C en D (gips)

 De werkgroep beveelt aan om de algemene fysiotherapeutische behandeling van zes weken als volgt op te bouwen:

  • verminderen van de hydrops/synovitis met behulp van belastbaarheidsoefeningen (Meuffels et al., 2012)
  • gecontroleerd opbouwen van de mobiliteit van de knie (Kelln et al., 2006; Joseph, 2012; Eitzen et al., 2011; Meuffels et al., 2012 )
  • aanleren van een dynamisch looppatroon (Millet et al., 2001; Alkjaer et al., 2003; Alkjaer et al., 2011; Knoll et al., 2004; Hart et al., 2009; Papadonikolakis et al., 2003; Lewek et al., 2002; Minning et al., 2009; Hurd et al., 2008a en 2008b)

Bij de opbouw van de fysiotherapeutische behandeling tijdens de revalidatie gelden pijn, warmte, hydrops en een stijf gevoel van de knie als criteria voor de belastbaarheid van de knie.

Pas als de hydrops duidelijk verminderd is en er geen synovitis meer is, er een goede range of motion is bereikt en de patiënt een technisch goed looppatroon heeft bereikt, kan de behandeling verder uitgebouwd worden met neuromusculaire training en krachttraining (Indelicato, 1995; Reider et al., 1994; Campbell, 1998; Millet et al., 2001; Rosenthal et al., 2012).

In de volgende paragrafen worden de mogelijkheden van fysiotherapeutische behandeling en de indicaties voor doorverwijzing besproken per type acuut knieletsel.

1.1
Literatuur

1. Buiting C, Rijnierse P, Stadt R. NHG/KNGF-Richtlijn Gestructureerde informatie-uitwisseling tussen huisarts en fysiotherapeut. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG); 2010. Available from: https://www.nhg.org/?tmp-no-mobile=1&q=node/1924. Geraadpleegd op 28 september 2015.
2. Zorgverleningsproces bij Directe Toegankelijkheid Fysiotherapie. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF); 2005.
3. Programma van Eisen Fysio-EPD. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF); 2010. Available from: https://eisen.fysio-epd.nl/. Geraadpleegd op 28 september 2015.
4. Codelijst FY060202 - Meetinstrumenten (N3) 2015-08. Amersfoort/Nijmegen: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF)/Zuyd; 2015. Available from: https://eisen.fysio-epd.nl/index.php/gegevensmodel/viewkeuzelijst/keuzelijstId/2. Geraadpleegd op 28 september 2015.
5. Zorgvuldig handelen bij voorbehouden en bijzondere handelingen. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF); 2010. Available from: https://www.kngf.nl/binaries/content/assets/kngf/onbeveiligd/vakgebied/vakinhoud/brochures/brochure-zorgvuldig-handelen-bij-voorbehouden-en-bijzondere-handelingen.pdf.
6. RIVM. Nederlandse vertaling van de International Classification of Functioning, Disability and Health. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu; 2002.
7. International Classification of Functioning, Disability and Health for Children and Youth (ICF-CY). Genève: World Health Organization; 2007.
8. Hagenaars K, Schmitt M, Vroegindeweij D. Moduul Methodisch Handelen. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF); 1999.

1.1
D Verslaggeving, terugrapportage naar de verwijzer en samenwerking

Voor een juiste verslaglegging wordt verwezen naar de KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische Verslaglegging.44 Indien om bepaalde redenen niet behandeld kan worden volgens de richtlijn, wordt hiervan kort en bondig melding gemaakt. De verwijzer en de huisarts, indien deze niet de verwijzer is, worden na drie en 12 maanden, of als zich problemen voordoen, geïnformeerd over de behandeling, de behandeldoelen, de behandelresultaten en de gegeven adviezen volgens een standaard terugkoppelingsbrief (een voorbeeldbrief is te downloaden via de website van ClaudicatioNet.

Indien deze richtlijn wordt gebruikt als onderdeel van ketenzorg, dienen de ketenzorgafspraken (bijvoorbeeld terugkerend multidisciplinair overleg of afstemming met andere zorgverleners over ieders verantwoordelijkheden) te worden gevolgd. Bij wijzigingen of specifieke problemen die van belang zijn voor andere hulpverleners, worden de ketenzorgpartners hierover geïnformeerd.

1.1
Juridische betekenis richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op wetenschappelijke onderzoeksresultaten gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen.

Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk zijn gebaseerd op de ‘gemiddelde patiënt’, moeten zorgverleners op basis van hun professionele autonomie afwijken van de richtlijn als de situatie van de patiënt dat vereist. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken dient dit te worden beargumenteerd en gedocumenteerd.1,121

De verantwoordelijkheid voor het handelen blijft daarmee bij de individuele fysiotherapeut.

1.1
Herziening richtlijnen

De KNGF-richtlijn Symptomatisch perifeer arterieel vaatlijden is een uitwerking van klinische vragen rond de diagnostiek en behandeling van patiënten die in aanmerking komen voor hartrevalidatie. Ontwikkelingen die de fysiotherapeutische zorg bij deze patiëntengroep kunnen verbeteren, kunnen de huidige inzichten zoals beschreven in de richtlijn doen veranderen.

In de methode voor richtlijnontwikkeling en implementatie is aangegeven dat alle richtlijnen na drie tot maximaal vijf jaar na publicatie worden herzien.1,121 Dit betekent dat het KNGF uiterlijk in 2019, in samenwerking met de werkgroepleden, bepaalt of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien.

De geldigheid van de richtlijn komt te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten. Voorafgaande aan de herzieningsprocedure van richtlijnen zal ook de Methode voor Richtlijnontwikkeling en Implementatie worden geactualiseerd op basis van nieuwe inzichten en samenwerkingsafspraken tussen de diverse richtlijnontwikkelaars in Nederland.

Dankwoord

Het concept van de richtlijn is becommentarieerd door een groep externe deskundigen. De werkgroep is de volgende deskundigen (in alfabetische volgorde) zeer erkentelijk voor hun bijdrage:

A. Auwerda, De Hart&Vaatgroep en de Nederlandse Hartstichting; dr. B. Elsman, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde en Nederlandse Vereniging voor Vaatchirurgie, vaatchirurg, Deventer Ziekenhuis, Deventer; E. Claassen, fysiotherapeut; dr. J. Geraets, epidemioloog, fysiotherapeut en voorzitter van de werkgroep herziening NHG-standaard Perifeer arterieel vaatlijden; H. Gijsbers, fysiotherapeut; L. Gommans, MSc, fysiotherapeut, bewegings-wetenschapper en epidemioloog; dr. M. Koelemay, vaatchirurg en klinisch epidemioloog, AMC Amsterdam; H. Koers, fysiotherapeut/manueel therapeut; prof. dr. R. Peters, cardioloog, AMC Amsterdam.

Naamsvermelding als referent betekent niet dat iedere referent de richtlijn inhoudelijk op elk detail onderschrijft.

1.1
Auteurs

A.H.H. Merry
J.A.W. Teijink
M.W.A. Jongert
A. Poelgeest
S.S.E.M. van der Voort
M.E.L. Bartelink
H.E.J.H. Stoffers
F. Brooymans
H.J.M. Hendriks
R.A. de Bie

1.1
B Diagnostisch proces

Tijdens het eerste consult inventariseert de fysiotherapeut de reden van verwijzing en bepaalt hij of de patiënt in aanmerking komt voor fysiotherapeutische behandeling op basis van de anamnese en het lichamelijk onderzoek. Uitgangspunt is de hulpvraag van de patiënt, inclusief de belangrijkste klachten van de patiënt. Met behulp van vier screeningsvragen bepaalt de fysiotherapeut de uiteindelijke indicatie voor behandeling (zie paragraaf B.5).

1.1
D Verslaggeving, terugrapportage naar de verwijzer en samenwerking

Voor een juiste verslaglegging wordt verwezen naar de KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische Verslaglegging. Indien om bepaalde redenen niet behandeld kan worden volgens de richtlijn, wordt hiervan kort en bondig melding gemaakt. De verwijzer en de huisarts, indien deze niet de verwijzer is, worden na drie en 12 maanden of bij problemen geïnformeerd over de behandeling, behandeldoelen, behandelresultaten en gegeven adviezen volgens een standaard terugkoppelingsbrief (een voorbeeldbrief is te downloaden via de website van ClaudicatioNet.

Aanbevolen wordt om in ieder geval in de terugrapportage op te nemen:

  • hulpvraag en behandeldoelen;
  • aantal behandelingen;
  • functionele en maximale loopafstanden;
  • conclusie met betrekking tot de behandeldoelen;
  • mogelijkheden tot verbetering.

Indien deze richtlijn wordt gebruikt als onderdeel van ketenzorg, dienen de ketenzorgafspraken (bijvoorbeeld terugkerend multidisciplinair overleg of afstemming met andere zorgverleners over ieders verantwoordelijkheden) te worden gevolgd. Bij wijzigingen of specifieke problemen die van belang zijn voor andere hulpverleners, worden de ketenzorgpartners hierover geïnformeerd.

Dankwoord

Het concept van de richtlijn is becommentarieerd door een groep externe deskundigen. De werkgroep is de volgende deskundigen (in alfabetische volgorde) zeer erkentelijk voor hun bijdrage: A. Auwerda, De Hart&Vaatgroep en de Nederlandse Hartstichting; dr. B. Elsman, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde en Nederlandse Vereniging voor Vaatchirurgie, vaatchirurg, Deventer Ziekenhuis, Deventer; E. Claassen, fysiotherapeut; dr. J. Geraets, epidemioloog, fysiotherapeut en voorzitter van de werkgroep herziening ‘NHG-Standaard Perifeer arterieel vaatlijden’; H. Gijsbers, fysiotherapeut; L. Gommans, MSc, fysiotherapeut, bewegingswetenschapper en epidemioloog; dr. M. Koelemay, vaatchirurg en klinisch epidemioloog, AMC Amsterdam; H. Koers, fysiotherapeut/manueel therapeut; prof. dr. R. Peters, cardioloog, AMC Amsterdam.

Naamsvermelding als referent betekent niet dat iedere referent de richtlijn inhoudelijk op elk detail onderschrijft.