D Verslaggeving, terugrapportage naar de verwijzer en samenwerking

Voor een juiste verslaglegging wordt verwezen naar de KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische Verslaglegging.44 Indien om bepaalde redenen niet behandeld kan worden volgens de richtlijn, wordt hiervan kort en bondig melding gemaakt. De verwijzer en de huisarts, indien deze niet de verwijzer is, worden na drie en 12 maanden, of als zich problemen voordoen, geïnformeerd over de behandeling, de behandeldoelen, de behandelresultaten en de gegeven adviezen volgens een standaard terugkoppelingsbrief (een voorbeeldbrief is te downloaden via de website van ClaudicatioNet.

Indien deze richtlijn wordt gebruikt als onderdeel van ketenzorg, dienen de ketenzorgafspraken (bijvoorbeeld terugkerend multidisciplinair overleg of afstemming met andere zorgverleners over ieders verantwoordelijkheden) te worden gevolgd. Bij wijzigingen of specifieke problemen die van belang zijn voor andere hulpverleners, worden de ketenzorgpartners hierover geïnformeerd.

Juridische betekenis richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op wetenschappelijke onderzoeksresultaten gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen.

Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk zijn gebaseerd op de ‘gemiddelde patiënt’, moeten zorgverleners op basis van hun professionele autonomie afwijken van de richtlijn als de situatie van de patiënt dat vereist. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken dient dit te worden beargumenteerd en gedocumenteerd.1,121

De verantwoordelijkheid voor het handelen blijft daarmee bij de individuele fysiotherapeut.

Herziening richtlijnen

De KNGF-richtlijn Symptomatisch perifeer arterieel vaatlijden is een uitwerking van klinische vragen rond de diagnostiek en behandeling van patiënten die in aanmerking komen voor hartrevalidatie. Ontwikkelingen die de fysiotherapeutische zorg bij deze patiëntengroep kunnen verbeteren, kunnen de huidige inzichten zoals beschreven in de richtlijn doen veranderen.

In de methode voor richtlijnontwikkeling en implementatie is aangegeven dat alle richtlijnen na drie tot maximaal vijf jaar na publicatie worden herzien.1,121 Dit betekent dat het KNGF uiterlijk in 2019, in samenwerking met de werkgroepleden, bepaalt of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien.

De geldigheid van de richtlijn komt te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten. Voorafgaande aan de herzieningsprocedure van richtlijnen zal ook de Methode voor Richtlijnontwikkeling en Implementatie worden geactualiseerd op basis van nieuwe inzichten en samenwerkingsafspraken tussen de diverse richtlijnontwikkelaars in Nederland.

Dankwoord

Het concept van de richtlijn is becommentarieerd door een groep externe deskundigen. De werkgroep is de volgende deskundigen (in alfabetische volgorde) zeer erkentelijk voor hun bijdrage:

A. Auwerda, De Hart&Vaatgroep en de Nederlandse Hartstichting; dr. B. Elsman, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde en Nederlandse Vereniging voor Vaatchirurgie, vaatchirurg, Deventer Ziekenhuis, Deventer; E. Claassen, fysiotherapeut; dr. J. Geraets, epidemioloog, fysiotherapeut en voorzitter van de werkgroep herziening NHG-standaard Perifeer arterieel vaatlijden; H. Gijsbers, fysiotherapeut; L. Gommans, MSc, fysiotherapeut, bewegings-wetenschapper en epidemioloog; dr. M. Koelemay, vaatchirurg en klinisch epidemioloog, AMC Amsterdam; H. Koers, fysiotherapeut/manueel therapeut; prof. dr. R. Peters, cardioloog, AMC Amsterdam.

Naamsvermelding als referent betekent niet dat iedere referent de richtlijn inhoudelijk op elk detail onderschrijft.

Auteurs

A.H.H. Merry

J.A.W. Teijink

M.W.A. Jongert

A. Poelgeest

S.S.E.M. van der Voort

M.E.L. Bartelink

H.E.J.H. Stoffers

F. Brooymans

H.J.M. Hendriks

R.A. de Bie

B Diagnostisch proces

Tijdens het eerste consult inventariseert de fysiotherapeut de reden van verwijzing en bepaalt hij of de patiënt in aanmerking komt voor fysiotherapeutische behandeling op basis van de anamnese en het lichamelijk onderzoek. Uitgangspunt is de hulpvraag van de patiënt, inclusief de belangrijkste klachten van de patiënt. Met behulp van vier screeningsvragen bepaalt de fysiotherapeut de uiteindelijke indicatie voor behandeling (zie paragraaf B.5).

D Verslaggeving, terugrapportage naar de verwijzer en samenwerking

Voor een juiste verslaglegging wordt verwezen naar de KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische Verslaglegging. Indien om bepaalde redenen niet behandeld kan worden volgens de richtlijn, wordt hiervan kort en bondig melding gemaakt. De verwijzer en de huisarts, indien deze niet de verwijzer is, worden na drie en 12 maanden of bij problemen geïnformeerd over de behandeling, behandeldoelen, behandelresultaten en gegeven adviezen volgens een standaard terugkoppelingsbrief (een voorbeeldbrief is te downloaden via de website van ClaudicatioNet.

Aanbevolen wordt om in ieder geval in de terugrapportage op te nemen:

  • hulpvraag en behandeldoelen;
  • aantal behandelingen;
  • functionele en maximale loopafstanden;
  • conclusie met betrekking tot de behandeldoelen;
  • mogelijkheden tot verbetering.

Indien deze richtlijn wordt gebruikt als onderdeel van ketenzorg, dienen de ketenzorgafspraken (bijvoorbeeld terugkerend multidisciplinair overleg of afstemming met andere zorgverleners over ieders verantwoordelijkheden) te worden gevolgd. Bij wijzigingen of specifieke problemen die van belang zijn voor andere hulpverleners, worden de ketenzorgpartners hierover geïnformeerd.

Dankwoord

Het concept van de richtlijn is becommentarieerd door een groep externe deskundigen. De werkgroep is de volgende deskundigen (in alfabetische volgorde) zeer erkentelijk voor hun bijdrage: A. Auwerda, De Hart&Vaatgroep en de Nederlandse Hartstichting; dr. B. Elsman, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde en Nederlandse Vereniging voor Vaatchirurgie, vaatchirurg, Deventer Ziekenhuis, Deventer; E. Claassen, fysiotherapeut; dr. J. Geraets, epidemioloog, fysiotherapeut en voorzitter van de werkgroep herziening ‘NHG-Standaard Perifeer arterieel vaatlijden’; H. Gijsbers, fysiotherapeut; L. Gommans, MSc, fysiotherapeut, bewegingswetenschapper en epidemioloog; dr. M. Koelemay, vaatchirurg en klinisch epidemioloog, AMC Amsterdam; H. Koers, fysiotherapeut/manueel therapeut; prof. dr. R. Peters, cardioloog, AMC Amsterdam.

Naamsvermelding als referent betekent niet dat iedere referent de richtlijn inhoudelijk op elk detail onderschrijft.

Aanbevelingen Symptomatisch perifeer arterieel vaatlijden

NB Het nummer dat is toegekend aan een aanbeveling heeft geen inhoudelijke betekenis.

Diagnostisch proces

1 Loopbandtest
De loopbandtest is een zinvol meetinstrument voor het vaststellen van de functionele en maximale loopafstanden, als indicatie van de ernst van de klachten bij patiënten met sPAV.

 

2 Loopbandtest met toenemende belasting
Een loopbandtest met toenemende belasting is een betrouwbaarder meetinstrument om de ernst van de klachten te bepalen bij patiënten met sPAV dan de loopbandtest met een constante belasting.


3 American College of Sports Medicine (ACSM) schaal voor pijn
De werkgroep is van mening dat de ACSM-schaal voor pijn (vierpuntsschaal) bij sPAV een zinvol meetinstrument is voor het scoren van de pijn tijdens het lopen bij patiënten met sPAV.


4 Evaluatie van het looppatroon
De werkgroep is van mening dat, als specifieke veranderingen in het looppatroon de patiënt belemmeren in het lopen, evaluatie van het looppatroon vooral gericht moet zijn op het vaststellen van afwijkingen bij het afwikkelen van de voet en inveren van het standbeen tijdens de heelstrike van de standfase.

Therapeutisch proces

5 Training
Het is sterk aan te bevelen om patiënten met sPAV te behandelen met oefentherapie ter vergroting van de loopafstand. Deze oefentherapie kan bestaan uit alleen lopen/wandelen, actieve (been)oefeningen of fysieke training of loopbandtraining, eventueel in combinatie met spierversterking.

 

6 Looptraining
Ter vergroting van de functionele loopafstand geniet looptraining de voorkeur in de behandeling van patiënten met sPAV. Indien lopen te belastend is voor de patiënt, kunnen met name bij aanvang van de behandeling andere belastingsvormen, zoals fietsen, een alternatief vormen.

 

7 Duur van het trainingsprogramma
De werkgroep adviseert om patiënten met sPAV gedurende ten minste zes maanden te trainen.

 

8 Trainingsintensiteit
Er kan geen aanbeveling worden geformuleerd betreffende de intensiteit van de training. Zowel trainingsprogramma’s met een lage als een hoge intensiteit lijken te leiden tot een toename van de loopafstand.

 

9 Trainingsfrequentie
De werkgroep adviseert om de training bij patiënten met sPAV drie keer per week uit te voeren.

 

10 Trainingsduur
De werkgroep adviseert een trainingsduur van ten minste 30 minuten per trainingssessie om tot een zo groot mogelijke verbetering van de loopafstand te komen.

 

11 Begeleiden van de trainingsprogramma’s
Ter vergroting van de loopafstand bij patiënten met sPAV genieten begeleide trainingsprogramma’s sterk de voorkeur. Er kan nog geen advies worden gegeven over het optimale aantal trainingssessies dat begeleid moet worden.

 

12 Verbeteren van het looppatroon
Er kan geen aanbeveling worden geformuleerd over het toepassen van oefentherapie bij patiënten met sPAV ter verbetering van het looppatroon.

 

13 De invloed van comorbiditeit
De werkgroep is van mening dat oefentherapie ook bij sPAV-patiënten met comorbiditeiten aangewezen kan zijn. De fysiotherapeut stelt het oefenprogramma zodanig samen dat er voldoende rekening gehouden wordt met de aanwezige comorbiditeit. Indien de comorbiditeit van de patiënt de behandeling dusdanig beïnvloedt dat fysiotherapie geen kans van slagen heeft, is overleg met de verwijzer aangewezen.

1.
Inleiding

Het doel van dit statement is het fysiotherapeutisch handelen bij patiënten die voor revalidatie na reconstructie van de voorste kruisband (VKB) bij de fysiotherapeut komen, te onderbouwen met wetenschappelijk bewijs en de uniformiteit in fysiotherapeutisch handelen en gebruik van klinimetrische instrumenten te bevorderen. 

Er is gezocht naar een antwoord op de volgende vragen:

  • Hoe ziet de fysiotherapeutische revalidatie na een VKB-reconstructie er uit?
  • Welke klinimetrie kan toegepast worden tijdens de revalidatie en aan het einde van de revalidatie?
  • Welke criteria worden gebruikt voor het hervatten van sportactiviteiten?

Het statement is een handleiding voor de practicus. Wetenschappelijke onderbouwing wordt toegelicht in de noten, inclusief de mate van bewijs.
De werkwijze die is gehanteerd bij de ontwikkeling van dit statement en de literatuursearch is opgenomen in noot 1.

2.
Diagnostisch proces

Voor het diagnostisch proces wordt verwezen naar de Richtlijn Voorste kruisbandletsel van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging (Saris et al., 2011).

3.
Therapeutisch proces

Alvorens met het therapeutisch proces te starten, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Communicatie tussen de fysiotherapeut en de behandelend medisch specialist (gewoonlijk een orthopedisch chirurg of traumachirurg) is te allen tijde van belang. De werkgroep adviseert preoperatief te overleggen over de juiste timing van de operatie en eventueel uit te voeren klinimetrie. Uiteindelijk zal de medisch specialist bepalen of en wanneer een operatie wordt uitgevoerd. Postoperatief zal de fysiotherapeut informatie nodig hebben over de operatie zelf: grafttype, of er een (partiële) meniscectomie of meniscushechting uitgevoerd is, of er sprake is van kraakbeenschade in de verschillende compartimenten (locatie, graad en grootte), of een bone bruise aanwezig is, of er sprake is van ander ligamentair letsel, eventueel aangevuld met specifieke adviezen ten aanzien van belasting. Als de fysiotherapeut deze informatie niet standaard van de behandelend medisch specialist ontvangt, moet deze bij de specialist worden opgevraagd. Verder adviseert de werkgroep dat de fysiotherapeut deze specialist op de hoogte brengt van de status praesens voorafgaand aan elk postoperatief poliklinisch controlemoment van de patiënt.

3.
Noot 1 Ontwikkeling van het statement

Dit evidence statement is opgebouwd conform een verkorte versie van de 'Methode voor ontwikkeling, implementatie en bijstelling van KNGF-richtlijnen', van Van der Wees et al. (2007). De aanbevelingen zijn opgesteld op basis van wetenschappelijke evidentie, waar nodig aangevuld met best-practice. Voor het beoordelen van de kwaliteit van de studies is gebruikgemaakt van de PEDro-richtlijnen (RCT’s) en de Cochranelijsten (prospectieve cohortstudies). Gezocht is naar relevante literatuur vanaf 1990 tot en met juli 2013 in de databases van PubMed en de Cochrane Library. De literatuursearch is weergegeven in de figuur.

ES-VKB noot 1

3.
B Diagnostisch proces

Met behulp van de verwijsgegevens, de anamnese en het lichamelijk onderzoek gaat de fysiotherapeut na of er een indicatie bestaat voor fysiotherapie. Uitgangspunt is de hulpvraag van de patiënt, inclusief de belangrijkste klachten. De fysiotherapeut onderzoekt welke stoornissen in functie, beperkingen in activiteiten en participatieproblemen bij de patiënt op de voorgrond staan, wat de prognose van de aandoening is, mede in het licht van relevante comorbiditeiten, en wat de informatiebehoefte is van de patiënt. Op basis van bovenstaande wordt bepaald of de patiënt in aanmerking komt voor fysiotherapeutische behandeling.

3.
C Therapeutisch proces

Het primaire doel van de behandeling bij patiënten met sPAV is het aanpakken van de hulpvraag van de patiënt, waarbij het verbeteren van functioneren, verhogen van activiteiten en het bevorderen van participatie centraal staan. Patiënten met sPAV hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van andere aandoeningen zoals cardio- of cerebrovasculaire aandoeningen. Positieve beïnvloeding van de risicofactoren voor atherosclerose is een belangrijk aandachtspunt in de behandeling. Om die reden is tijdens de behandeling aandacht voor stoppen met roken en is het belangrijk om de motivatie voor stoppen met roken te beïnvloeden. Er moet aandacht zijn voor het belang van een gezond voedingspatroon, al dan niet in overleg met andere zorgverleners. De fysiotherapeut levert ook een bijdrage aan de bestrijding van bewegingsarmoede en het stimuleren van een lichamelijk actieve leefstijl bij de patiënt.

De hoofddoelen van de fysiotherapeutische behandeling kunnen als volgt worden samengevat:

  • de patiënt in staat stellen de door hem gewenste activiteiten en participatie uit te voeren (de hulpvraag van de patiënt),
  • het beïnvloeden van risicofactoren voor atherosclerose,
  • het aanleren van een toenemende mate van zelfstandigheid en zelfmanagement in de training en het onderhouden van een actieve leefstijl door de patiënt en
  • het verbeteren van de kwaliteit van leven van de patiënt.

In de loop van de behandeling evalueert de fysiotherapeut deze doelstellingen op systematische wijze. Afhankelijk van de diagnostische bevindingen kan de behandeling gericht zijn op:

  • het geven van informatie en voorlichting ter bevordering van het ziekte-inzicht van de patiënt;
  • het verbeteren van het (subjectieve en objectieve) inspanningsvermogen van de patiënt:
  • het optimaliseren van de activiteiten en participatie van de patiënt;
  • het ondersteunen van de patiënt op het gebied van cardio-vasculair risicomanagement.

3.
1 Inleiding

Dit evidence statement omvat het fysiotherapeutisch diagnostisch en therapeutisch proces bij volwassen patiënten met ontlastingsincontinentie, ofwel anale incontinentie (AI). Er is gekozen voor een evidence statement in plaats van een richtlijn om, ondanks de beperkte bewijsvoering vanuit de literatuur, de stand van zaken te kunnen beschrijven en aanbevelingen te formuleren ter ondersteuning van het methodisch handelen. Het is geschreven conform een verkorte versie van de Methode voor ontwikkeling, implementatie en bijstelling van KNGF-richtlijnen, zoals beschreven door Van der Wees et al.1 De aanbevelingen zijn opgesteld op basis van wetenschappelijke evidentie en op basis van ‘best-practice’. Het wetenschappelijk bewijs is per vraagstelling kort samengevat in een conclusie met de mate van bewijs. Hierbij is gebruik gemaakt van de beoordelingslijsten en de Evidence-Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO) criteria, zoals ontwikkeld onder auspiciën van het CBO.2 Indien er geen wetenschappelijk bewijs voorhanden was, is de aanbeveling geformuleerd op basis van consensus binnen de werkgroep. Bewijsvoering en consensus die tot de formulering van de aanbevelingen hebben geleid, zijn opgenomen in een uitgebreid notenapparaat.

Er is gezocht naar relevante literatuur die verscheen tussen 1 januari 1980 en 1 november 2012 in de elektronische databases van de Cochrane Library, PubMed, EMBASE, PEDro en CINAHL. Daarnaast is gezocht in relevante referentielijsten. De literatuur is, waar mogelijk, gescheiden bekeken voor AI, FI en flatusincontinentie.

Het Evidence Statement AI beperkt zich tot de volwassen patiënt met AI, aangezien de oorzaak van AI bij kinderen vaak van andere aard is en daarmee dus de benadering van de klacht. Dat is terug te zien in het wetenschappelijk onderzoek dat bij AI meestal een onderscheid maakt tussen kinderen en volwassenen. Bij volwassenen gaat AI vaak samen met andere bekkenbodem-, bekken- en buikproblematiek, zoals obstipatie, prolaps en urine-incontinentie. Ingaan op al deze patiëntenprofielen zou dit statement te complex maken. Indien nodig wordt in het statement verwezen naar andere problematiek of richtlijnen.

Het statement is bedoeld voor geregistreerde bekkenfysiotherapeuten. Geregistreerde bekkenfysiotherapeuten zijn gespecialiseerde fysiotherapeuten die een door de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Bekkenproblematiek en pré- en postpartum gezondheidszorg (NVFB) geaccrediteerde opleiding bekkenfysiotherapie hebben afgerond, waardoor de gewenste specialisatie is behaald en waarbij ook scholing heeft plaatsgevonden met betrekking tot de uitvoering van Deze fysiotherapeuten zijn geschoold in het uitvoeren van invasief handelen (noot 1). Voor de (bekken)fysiotherapeut zijn de KNGF-richtlijn Zwangerschapsgerelateerde bekkenpijn uit 2005 en de KNGF-richtlijn Stress urine-incontinentie, die in 2011 is geactualiseerd en uitgebreid naar stress urine-incontinentie (SUI) bij volwassen mannen.

Het doel van dit evidence statement is antwoord te geven op de volgende vragen:

  • Wat zijn de prevalentie en incidentie van anale incontinentie en wat zijn de directe en indirecte kosten van het gezondheidsprobleem?
  • Welke etiologische factoren voor het ontstaan van anale incontinentie zijn bekend?
  • Welke prognostische factoren voor het beloop van anale incontinentie zijn bekend en welke zijn beïnvloedbaar door bekkenfysiotherapie?
  • Welke voor de bekkenfysiotherapeut relevante medisch-diagnostische en psychosociale informatie is nodig om behandeldoelen en een behandelplan te kunnen formuleren?
  • Welke vormen van behandeling en preventie zijn effectief en doelmatig in relatie tot de aard, ernst en mate van beïnvloedbaarheid van het gezondheidsprobleem?
  • Welke meetinstrumenten, met inachtneming van de methodologische kwaliteit, kunnen worden gebruikt om de gezondheidsproblemen bij mensen met AI in kaart te brengen en het effect van de behandeling te evalueren? 

3.
C Therapeutisch proces

Het primaire doel van de behandeling bij patiënten met sPAV is het aanpakken van de hulpvraag van de patiënt, waarbij het verbeteren van functioneren, verbeteren van activiteiten en het bevorderen van participatie centraal staan. Daarnaast is een positieve beïnvloeding van risicofactoren voor atherosclerose een belangrijk aandachtspunt in de behandeling.

De hoofddoelen van de fysiotherapeutische behandeling kunnen als volgt worden samengevat:

  • de patiënt in staat stellen de door hem gewenste activiteiten en participatie uit te voeren (de hulpvraag van de patiënt),
  • het beïnvloeden van risicofactoren voor atherosclerose,
  • het aanleren van een toenemende mate van zelfstandigheid en zelfmanagement in de training en het onderhouden van een actieve leefstijl door de patiënt en
  • het verbeteren van de kwaliteit van leven van de patiënt.

Gedurende de eerste vier weken van de fysiotherapeutische behandeling vinden er gemiddeld drie sessies per week plaats, daarna volstaan twee sessies per week tot aan het einde van de derde maand. Van maand vier t/m 12 van de behandelingsperiode vinden er gemiddeld één tot twee sessies per maand plaats. Na deze behandelperiode vindt idealiter elk kwartaal (vier keer per jaar) een controle plaats bij een zorgverlener. In tabel 1 staat een voorbeeld van een behandelschema dat is samengesteld op basis van consensus binnen de werkgroep. Dit behandelschema (ongeveer 40 sessies in het eerste jaar) is richtinggevend. In specifieke gevallen kunnen meer of minder sessies nodig zijn.

Tabel 1. Voorbeeld van een behandelschema.

Fase Behandelfrequentie Duur fase Aantal behandelingen
Startfase 3 maal per week 4 weken 12
Zelf-/trainingsfase 1-2 maal per week 8 weken 8-16
Onderhoudsfase 1-2 maal per week 40 weken 9-18

Tijdens de fysiotherapeutische behandeling streven patiënt en fysiotherapeut naar afname van de afhankelijkheid van de patiënt (zelfmanagement). De fysiotherapeut stuurt erop aan dat de patiënt steeds zelfstandiger gaat trainen en dat de patiënt zelf verantwoording neemt voor de eigen training. Vanaf het begin van de behandeling is het dan ook belangrijk om aan de patiënt duidelijk te maken dat verdergaande resultaten vooral bereikt worden als de patiënt, naast de fysiotherapeutische behandeling, zelfstandig traint in de thuissituatie. Daartoe krijgt hij van de fysiotherapeut een trainingsprogramma. In de loop van de tijd neemt de frequentie van de fysiotherapeutische behandelingen af en nemen de door de patiënt zelfstandig uitgevoerde bewegingsactiviteiten in frequentie en omvang toe. Tijdens de behandelsessies bespreekt de fysiotherapeut het belang, de voortgang en eventuele knelpunten van het trainingsprogramma voor thuis met de patiënt.

Na afloop van de behandelperiode van drie maanden (of eerder als de behandeldoelen zijn behaald) kan de fysiotherapeut gedurende drie tot zes maanden de patiënt coachen. De patiënt voert het trainingsprogramma zelfstandig uit en de fysiotherapeut kan de trainingsvoortgang evalueren en controleren aan de hand van een logboek, dat door de patiënt wordt ingevuld (zie bijlage 3). Op deze manier is de kans groter dat de patiënt een actieve leefstijl kan blijven handhaven. Een voorbeeld van een activeringsprogramma is opgenomen in bijlage 4.

Afhankelijk van de diagnostische bevindingen kan de behandeling gericht zijn op:

  • het geven van informatie en voorlichting ter bevordering van het ziekte-inzicht van de patiënt;
  • het verbeteren van het (subjectieve en objectieve) inspanningsvermogen;
  • het optimaliseren van activiteiten en participatie van de patiënt;
  • het ondersteunen van de patiënt op het gebied van cardiovasculair risicomanagement.

In de volgende paragrafen worden de afzonderlijke elementen van de behandeling nader beschreven.

A.1
Preoperatieve fase bij coronairlijden

Een van de belangrijkste nadelige gevolgen van thoraxchirurgie (onder andere van de narcose) is een afname van de functie van het diafragma. Zelfs 7 dagen na de operatie kan de functie van het diafragma nog met 30% zijn afgenomen ten opzichte van vóór de operatie. In sommige gevallen wordt dit veroorzaakt door beschadiging (neuropraxie of axonotmesis) van de nervus phrenicus.89 Mogelijke gevolgen van de afname van de diafragmafunctie zijn een afname van de functionele residuale capaciteit, de vitale capaciteit en het teugvolume en daardoor een toename van de ademfrequentie.90,91 Dit leidt ertoe dat laag-belastbare patiënten die een openhartoperatie ondergaan, postoperatief een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van postoperatieve pulmonale complicaties (PPC), wat weer leidt tot een toename van de morbiditeit, mortaliteit en opnameduur.90,92 

Het verdient aanbeveling dat alle patiënten die een CABG en/of klepoperatie moeten ondergaan door de cardioloog worden verwezen voor preoperatieve fysiotherapeutische screening. De verwijzing van de cardioloog bevat, naast de diagnose en comorbiditeit, relevant geachte diagnostische gegevens, gegevens over de soort operatie en, indien bekend, de opnamedatum en planningsdatum voor de operatie.

A.1
Literatuur

1. Wees PJ van der, Hendriks HJM, Heldoorn M, Custers JWH, Bie RA de. Methode voor ontwikkeling, implementatie en bijstelling van KNGF-richtlijnen. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie; 2007.
2. Tendera M, Aboyans V, Bartelink ML, Baumgartner I, Clement D, Collet JP, et al. ESC Guidelines on the diagnosis and treatment of peripheral artery diseases: Document covering atherosclerotic disease of extracranial carotid and vertebral, mesenteric, renal, upper and lower extremity arteries: the Task Force on the Diagnosis and Treatment of Peripheral Artery Diseases of the European Society of Cardiology (ESC). Eur Heart J. 2011;32(22):2851-906.
3. Bartelink ML, Stoffers HEJH, Boutens EJ, Hooi JD, Kaiser V, Boomsma LJ. NHG-Standaard Perifeer arterieel vaatlijden. Huisarts Wet 2003;46(14):848-58.
4. CBO. Handleiding voor werkgroepleden. Utrecht: Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO; 2007.
5. Norgren L, Hiatt WR, Dormandy JA, Nehler MR, Harris KA, Fowkes FG. Inter-Society Consensus for the Management of Peripheral Arterial Disease (TASC II). J Vasc Surg. 2007;45 Suppl S:S5-67.
6. Sigvant B, Wiberg-Hedman K, Bergqvist D, Rolandsson O, Andersson B, Persson E, et al. A population-based study of peripheral arterial disease prevalence with special focus on critical limb ischemia and sex differences. J Vasc Surg. 2007;45(6):1185-91.
7. Kroger K, Stang A, Kondratieva J, Moebus S, Beck E, Schmermund A, et al. Prevalence of peripheral arterial disease - results of the Heinz Nixdorf recall study. Eur J Epidemiol. 2006;21(4):279-85.
8. Rothwell PM, Coull AJ, Silver LE, Fairhead JF, Giles MF, Lovelock CE, et al. Population-based study of event-rate, incidence, case fatality, and mortality for all acute vascular events in all arterial territories (Oxford Vascular Study). Lancet. 2005;366(9499):1773-83.
9. Selvin E, Erlinger TP. Prevalence of and risk factors for peripheral arterial disease in the United States: results from the National Health and Nutrition Examination Survey, 1999-2000. Circulation. 2004;110(6):738-43.
10. Rutgers D, Meijer WT, Hoes AW, Bots ML, Hofman A, Grobbee DE. Prevalentie van perifere arteriële vaatziekte en PAV bij personen van 55 jaar en ouder: het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142(52):2851-6.
11. Meijer WT, Grobbee DE, Hunink MG, Hofman A, Hoes AW. Determinants of peripheral arterial disease in the elderly: the Rotterdam study. Arch Intern Med. 2000;160(19):2934-8.
12. Vaartjes I, Dis I van, Visseren FLJ, Bots ML. Hart- en vaatziekten in Nederland bij vrouwen en mannen. In: Vaartjes I, Dis I van, Visseren FLJ, Bots ML, editors. Hart- en vaatziekten in Nederland 2011, cijfers over leefstijl- en risicofactoren, ziekte en sterfte. Den Haag: Hartstichting; 2011.
13. Hirsch AT, Criqui MH, Treat-Jacobson D, Regensteiner JG, Creager MA, Olin JW, et al. Peripheral arterial disease detection, awareness, and treatment in primary care. JAMA. 2001;286(11):1317-24.
14. Kannel WB, McGee DL. Update on some epidemiologic features of intermittent claudication: the Framingham Study. J Am Geriatr Soc. 1985;33(1):13-8.
15. Hooi JD, Kester AD, Stoffers HE, Overdijk MM, Ree JW van, Knottnerus JA. Incidence of and risk factors for asymptomatic peripheral arterial occlusive disease: a longitudinal study. Am J Epidemiol. 2001;153(7):666-72.
16. Caro J, Migliaccio-Walle K, Ishak KJ, Proskorovsky I. The morbidity and mortality following a diagnosis of peripheral arterial disease: long-term follow-up of a large database. BMC Cardiovasc Disord. 2005;5:14.
17. Kugler C, Rudofsky G. The role of comorbidity burden for patients with symptomatic peripheral arterial disease (PAD). A quantitative approach. Int Angiol. 2003;22(3):290-301.
18. Leng GC, Lee AJ, Fowkes FG, Whiteman M, Dunbar J, Housley E, et al. Incidence, natural history and cardiovascular events in symptomatic and asymptomatic peripheral arterial disease in the general population. Int J Epidemiol. 1996;25(6):1172-81.
19. Resnick HE, Lindsay RS, McDermott MM, Devereux RB, Jones KL, Fabsitz RR, et al. Relationship of high and low ankle brachial index to all-cause and cardiovascular disease mortality: the Strong Heart Study. Circulation. 2004;109(6):733-9.
20. Criqui MH, Langer RD, Fronek A, Feigelson HS, Klauber MR, McCann TJ, et al. Mortality over a period of 10 years in patients with peripheral arterial disease. N Engl J Med. 1992;326(6):381-6.
21. Siracuse JJ, Giles KA, Pomposelli FB, Hamdan AD, Wyers MC, Chaikof EL, et al. Results for primary bypass versus primary angioplasty/stent for intermittent claudication due to superficial femoral artery occlusive disease. J Vasc Surg. 2012;55(4):1001-7.
22. Stewart KJ, Hiatt WR, Regensteiner JG, Hirsch AT. Exercise training for claudication. N Engl J Med. 2002;347(24):1941-51.
23. Nordanstig J, Smidfelt K, Langenskiold M, Kragsterman B. Nationwide experience of cardio- and cerebrovascular complications during infrainguinal endovascular intervention for peripheral arterial disease and acute limb ischaemia. Eur J Vasc Endovasc Surg. 2013;45(3):270-4.
24. Beers MH, Berga SL, Batterink J. Merck Manual Medisch Handboek. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2005.
25. Bernards JA, Bouwman LN. Fysiologie van de mens. Utrecht: Bohn Scheltema en Holkema; 1994.
26. McDermott MM. The magnitude of the problem of peripheral arterial disease: epidemiology and clinical significance. Cleve Clin J Med. 2006;73 Suppl 4:S2-7.
27. Hirsch AT, Haskal ZJ, Hertzer NR, Bakal CW, Creager MA, Halperin JL, et al. ACC/AHA 2005 guidelines for the management of patients with peripheral arterial disease (lower extremity, renal, mesenteric, and abdominal aortic): executive summary a collaborative report from the American Association for Vascular Surgery/Society for Vascular Surgery, Society for Cardiovascular Angiography and Interventions, Society for Vascular Medicine and Biology, Society of Interventional Radiology, and the ACC/AHA Task Force on Practice Guidelines (Writing Committee to Develop Guidelines for the Management of Patients With Peripheral Arterial Disease) endorsed by the American Association of Cardiovascular and Pulmonary Rehabilitation; National Heart, Lung, and Blood Institute; Society for Vascular Nursing; TransAtlantic Inter-Society Consensus; and Vascular Disease Foundation. JAAC. 2006;47(6):1239-312.
28. McDermott MM, Liu K, Greenland P, Guralnik JM, Criqui MH, Chan C, et al. Functional decline in peripheral arterial disease: associations with the ankle brachial index and leg symptoms. JAMA. 2004;292(4):453-61.
29. Cox GS, Hertzer NR, Young JR, O’Hara PJ, Krajewski LP, Piedmonte MR, et al. Nonoperative treatment of superficial femoral artery disease: long-term follow-up. J Vasc Surg. 1993;17(1):172-81; discussion 81-2.
30. Dormandy J, Heeck L, Vig S. The natural history of claudication: risk to life and limb. Semin Vasc Surg. 1999;12(2):123-37.
31. Aquino R, Johnnides C, Makaroun M, Whittle JC, Muluk VS, Kelley ME, et al. Natural history of claudication: long-term serial follow-up study of 1244 claudicants. J Vasc Surg. 2001;34(6):962-70.
32. Shammas NW. Epidemiology, classification, and modifiable risk factors of peripheral arterial disease. Vasc Health Risk Manag. 2007;3(2):229-34.
33. Muir RL. Peripheral arterial disease: Pathophysiology, risk factors, diagnosis, treatment, and prevention. J Vasc Nurs. 2009;27(2):26-30.
34. Garcia LA. Epidemiology and pathophysiology of lower extremity peripheral arterial disease. J Endovasc Ther. 2006;13 Suppl 2:II3-9.
35. Ouriel K. Peripheral arterial disease. Lancet. 2001;358(9289):1257-64.
36. Hildebrandt VH, Chorus AMJ, Stubbe JH. Trendrapport Bewegen en Gezondheid 2008/2009. TNO Kwaliteit van Leven. Leiden: De Bink; 2010.
37. Hooi JD, Stoffers HE, Knottnerus JA, Ree JW van. The prognosis of non-critical limb ischaemia: a systematic review of population-based evidence. Br J Gen Pract. 1999;49(438):49-55.
38. Nicoloff AD, Taylor LM, Jr., Sexton GJ, Schuff RA, Edwards JM, Yeager RA, et al. Relationship between site of initial symptoms and subsequent progression of disease in a prospective study of atherosclerosis progression in patients receiving long-term treatment for symptomatic peripheral arterial disease. J Vasc Surg. 2002;35(1):38-46; discussion 46-7.
39. Romero JM, Bover J, Fite J, Bellmunt S, Dilme JF, Camacho M, et al. The Modification of Diet in Renal Disease 4-calculated glomerular filtration rate is a better prognostic factor of cardiovascular events than classical cardiovascular risk factors in patients with peripheral arterial disease. J Vasc Surg. 2012 Nov 56(5):1324-30.
40. Hooi JD, Stoffers HE, Kester AD, Ree JW van, Knottnerus JA. Peripheral arterial occlusive disease: prognostic value of signs, symptoms, and the ankle-brachial pressure index. Med Decis Making. 2002;22(2):99-107.
41. Haugen S, Casserly IP, Regensteiner JG, Hiatt WR. Risk assessment in the patient with established peripheral arterial disease. Vasc Med. 2007;12(4):343-50.
42. Goessens BM, Graaf Y van der, Olijhoek JK, Visseren FL. The course of vascular risk factors and the occurrence of vascular events in patients with symptomatic peripheral arterial disease. J Vasc Surg. 2007;45(1):47-54.
43. Paraskevas KI, Giannoukas AD, Mikhailidis DP. Renal function impairment in peripheral arterial disease: an important parameter that should not be neglected. Ann Vasc Surg. 2009;23(5):690-9.
44. Heerkens YF, Hendriks HJM, Graaf-Peters VB de. KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische verslaglegging. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie; 2011.
45. Achttien RJ, Staal JB, Merry AHH, Voort SSEM van der, Klaver RJ, Schoonewille S, et al. KNGF-richtlijn Hartrevalidatie. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie; 2011.
46. Jongert MWA, Hendriks HJM, Hoek J van, Klaasboer-Kogelman K, Robeer GG, Simens B, et al. KNGF-richtlijn Claudicatio Intermittens. Ned Tijdschr Fysiother. 2003;6.
47. Kruidenier LM, Nicolai SP, Willigendael EM, Bie RA de, Prins MH, Teijink JA. Functional claudication distance: a reliable and valid measurement to assess functional limitation in patients with intermittent claudication. BMC Cardiovasc Disord. 2009;9:9.
48. Zwierska I, Nawaz S, Walker RD, Wood RF, Pockley AG, Saxton JM. Treadmill versus shuttle walk tests of walking ability in intermittent claudication. Med Sci Sports Exerc. 2004;36(11):1835-40.
49. Womack CJ, Gardner AW. Peripheral Arterial Disease. In: Durstine JL, Moore GE, editors. ACSM’s Exercise Management for Persons with Chronic Diseases and Disabilities. Champaign: Human Kinetics; 2003. p. 81-5.
50. Gardner AW, Skinner JS, Cantwell BW, Smith LK. Progressive vs single-stage treadmill tests for evaluation of claudication. Med Sci Sports Exerc. 1991;23(4):402-8.
51. Nicolai SP, Viechtbauer W, Kruidenier LM, Candel MJ, Prins MH, Teijink JA. Reliability of treadmill testing in peripheral arterial disease: a meta-regression analysis. J Vasc Surg. 2009;50(2):322-9.
52. Revalidatiecommissie NVVC / NHS en projectgroep PAAHR. Multidisciplinaire Richtlijn Hartrevalidatie 2011. Utrecht: Nederlandse Vereniging Voor Cardiologie; 2011. 
53. Kemper HGC, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M. Consensus over de Nederlandse norm voor gezond bewegen. Tijdschr Soc Gezondheidsz. 2000;78(3):180-3.
54. Ades PA, Savage PD, Toth MJ, Harvey-Berino J, Schneider DJ, Bunn JY, et al. High-calorie-expenditure exercise: a new approach to cardiac rehabilitation for overweight coronary patients. Circulation. 2009;119(20):2671-8.
55. Celis R, Pipinos, II, Scott-Pandorf MM, Myers SA, Stergiou N, Johanning JM. Peripheral arterial disease affects kinematics during walking. J Vasc Surg. 2009;49(1):127-32.
56. Chen SJ, Pipinos I, Johanning J, Radovic M, Huisinga JM, Myers SA, et al. Bilateral claudication results in alterations in the gait biomechanics at the hip and ankle joints. J Biomech. 2008;41(11):2506-14.
57. Crowther RG, Spinks WL, Leicht AS, Quigley F, Golledge J. Relationship between temporal-spatial gait parameters, gait kinematics, walking performance, exercise capacity, and physical activity level in peripheral arterial disease. J Vasc Surg. 2007;45(6):1172-8.
58. Koutakis P, Johanning JM, Haynatzki GR, Myers SA, Stergiou N, Longo GM, et al. Abnormal joint powers before and after the onset of claudication symptoms. J Vasc Surg. 2010;52(2):340-7.
59. Koutakis P, Pipinos, II, Myers SA, Stergiou N, Lynch TG, Johanning JM. Joint torques and powers are reduced during ambulation for both limbs in patients with unilateral claudication. J Vasc Surg. 2010;51(1):80-8.
60. Wurdeman SR, Koutakis P, Myers SA, Johanning JM, Pipinos, II, Stergiou N. Patients with peripheral arterial disease exhibit reduced joint powers compared to velocity-matched controls. Gait Posture. 2012;36(3):506-9.
61. Brunnekreef JJ, Uden CJ van, Moorsel S van, Kooloos JG. Reliability of videotaped observational gait analysis in patients with orthopedic impairments. BMC Musculoskelet Disord. 2005;6:17.
62. Dros J, Wewerinke A, Bindels PJ, Weert HC van. Accuracy of monofilament testing to diagnose peripheral neuropathy: a systematic review. Ann Fam Med. 2009;7(6):555-8.
63. Mens JMA, Chavannes AW, Koes BW, Lubbers WJ, Ostelo RWJG, Spinnewijn WEM, et al. NHG-Standaard Lumbosacraal radiculair syndroom (Eerste herziening). Huisarts Wet. 2005;48(4):171-8.
64. Nugteren K van. 4a Addendum: kanaalstenose van de limbale wervelkolom. In: van Nugteren K, Winkel D, editors. Onderzoek en behandeling van lage rugklachten. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2006. p. 101-2.
65. Bravenboer B, Dam PS van, Biessels GJ, Gispen WH. Richtlijn diabetische neuropathie. Amersfoort: Nederlandse Diabetes Federatie; 2003.
66. Peter WFH, Jansen MJ, Bloo H, Dekker-Bakker LMMCJ, Dilling RG, Hilberdink WKHA, et al. KNGF-richtlijn Artrose heup-knie. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie; 2010.
67. Hoogeveen AR. Richtlijn Chronisch compartimentsyndroom van het onderbeen. Bilthoven: Vereniging voor Sportgeneeskunde; 2010.
68. Belo JN, Bierma-Zeinstra SM, Raaijmakers AJ, Wissel F van der, Opstelten W. NHG-Standaard Niet-traumatische knieproblemen bij volwassenen. Huisarts Wet. 2008;51(5):229-40.
69. Praet SFE, Uden C van, Hartgens F, Savelberg HHCM, Toereppel K, Bie RA de. KNGF-Standaard Beweeginterventie diabetes mellitus type 2. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie; 2009.
70. Pauwels RA, Buist AS, Calverley PM, Jenkins CR, Hurd SS. Global strategy for the diagnosis, management, and prevention of chronic obstructive pulmonary disease. NHLBI/WHO Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease (GOLD) Workshop summary. Am J Respir Crit Care Med. 2001;163(5):1256-76.
71. Gosselink R, Langer D, Burtin C, Probst V, Hendriks HJM, Schans CP van der, et al. KNGF-richtlijn Chronisch obstructieve longziekten. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie; 2008.
72. Welten GM, Schouten O, Hoeks SE, Chonchol M, Vidakovic R, Domburg RT van, et al. Long-term prognosis of patients with peripheral arterial disease: a comparison in patients with coronary artery disease. JACC. 2008;51(16):1588-96.
73. Kemp K von, Brande P van den, Peterson T, Waegeneers S, Scheerlinck T, Danau W, et al. Screening for concomitant diseases in peripheral vascular patients. Results of a systematic approach. Int Angiol. 1997;16(2):114-22.
74. Rutten FH, Bohnen AM, Schreuder BP, Pupping MDA, Bouma M. NHG-Standaard Stabiele angina pectoris. Huisarts Wet. 2004;47(2):83-95.
75. Verhoeven S, Beusmans GHMI, Bentum STB van, Binsbergen JJ van, Pleumeekers HJCM, Schulling J, et al. NHG-Standaard CVA. Huisarts Wet. 2004;47(101):509-20.
76. Peppen RPS van, Kwakkel G, Harmeling-van der Wel BC, Kollen BJ, Hobbelen JSM, Buurke JH, et al. KNGF-richtlijn Beroerte. Amersfoort: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie; 2004.
77. McDermott MM, Fried L, Simonsick E, Ling S, Guralnik JM. Asymptomatic peripheral arterial disease is independently associated with impaired lower extremity functioning: the women’s health and aging study. Circulation. 2000;101(9):1007-12.
78. Kortleve V. Shared decision-making. FysioPraxis. 2012;7:22-4.
79. Burgt M van der, Verhulst F. Doen en blijven doen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2009.
80. Dijkstra A. Het veranderingsmodel als leidraad bij het motiveren tot en begeleiden van gedragsverandering bij patiënten. Ned Tijdschr Fysiother. 2002;112(3):62-8.
81. Watson L, Ellis B, Leng GC. Exercise for intermittent claudication. Cochrane Database Syst Rev. 2008(4):CD000990.
82. Stewart AH, Lamont PM. Exercise training for claudication. Surgeon. 2007;5(5):291-9.
83. Wind J, Koelemay MJ. Exercise therapy and the additional effect of supervision on exercise therapy in patients with intermittent claudication. Systematic review of randomised controlled trials. Eur J Vasc Endovasc Surg. 2007;34(1):1-9.
84. Fakhry F, van de Luijtgaarden KM, Bax L, den Hoed PT, Hunink MG, Rouwet EV, et al. Supervised walking therapy in patients with intermittent claudication. J Vasc Surg. 2012;56(4):1132-42.
85. Robeer GG, Brandsma JW, van den Heuvel SP, Smit B, Oostendorp RA, Wittens CH. Exercise therapy for intermittent claudication: a review of the quality of randomised clinical trials and evaluation of predictive factors. Eur J Vasc Endovasc Surg. 1998;15(1):36-43.
86. Gardner AW, Poehlman ET. Exercise rehabilitation programs for the treatment of claudication pain. A meta-analysis. JAMA. 1995;274(12):975-80.
87. Kruidenier LM, Viechtbauer W, Nicolai SP, Buller H, Prins MH, Teijink JA. Treatment for intermittent claudication and the effects on walking distance and quality of life. Vascular. 2012;20(1):20-35.
88. Bendermacher BL, Willigendael EM, Teijink JA, Prins MH. Supervised exercise therapy versus non-supervised exercise therapy for intermittent claudication. Cochrane Database Syst Rev. 2006(2):CD005263.
89. Lundgren F, Dahllof AG, Lundholm K, Schersten T, Volkmann R. Intermittent claudication - surgical reconstruction or physical training? A prospective randomized trial of treatment efficiency. Ann Surg. 1989;209(3):346-55.
90. Gelin J, Jivegard L, Taft C, Karlsson J, Sullivan M, Dahllof AG, et al. Treatment efficacy of intermittent claudication by surgical intervention, supervised physical exercise training compared to no treatment in unselected randomised patients I: one year results of functional and physiological improvements. Eur J Vasc Endovasc Surg. 2001;22(2):107-13.
91. Frans FA, Bipat S, Reekers JA, Legemate DA, Koelemay MJ. Systematic review of exercise training or percutaneous transluminal angioplasty for intermittent claudication. Br J Surg. 2012;99(1):16-28.
92. Murphy TP, Cutlip DE, Regensteiner JG, Mohler ER, Cohen DJ, Reynolds MR, et al. Supervised exercise versus primary stenting for claudication resulting from aortoiliac peripheral artery disease: six-month outcomes from the claudication: exercise versus endoluminal revascularization (CLEVER) study. Circulation. 2012;125(1):130-9.
93. Womack CJ, Sieminski DJ, Katzel LI, Yataco A, Gardner AW. Improved walking economy in patients with peripheral arterial occlusive disease. Med Sci Sports Exerc. 1997;29(10):1286-90.
94. Hamburg NM, Balady GJ. Exercise rehabilitation in peripheral artery disease: functional impact and mechanisms of benefits. Circulation. 2011;123(1):87-97.
95. Guidon M, McGee H. Exercise-based interventions and health-related quality of life in intermittent claudication: a 20-year (1989-2008) review. Eur J Cardiovasc Prev Rehabil. 2010;17(2):140-54.
96. Spronk S, Bosch JL, Veen HF, Hoed PT den, Hunink MG. Intermittent claudication: functional capacity and quality of life after exercise training or percutaneous transluminal angioplasty - systematic review. Radiology. 2005;235(3):833-42.
97. Bulmer AC, Coombes JS. Optimising exercise training in peripheral arterial disease. Sports Med. 2004;34(14):983-1003.
98. Parmenter BJ, Raymond J, Dinnen P, Singh MA. A systematic review of randomized controlled trials: Walking versus alternative exercise prescription as treatment for intermittent claudication. Atherosclerosis. 2011;218(1):1-12.
99. Gardner AW, Montgomery PS, Parker DE. Optimal exercise program length for patients with claudication. J Vasc Surg. 2012;55(5):1346-54.
100. Gardner AW, Montgomery PS, Flinn WR, Katzel LI. The effect of exercise intensity on the response to exercise rehabilitation in patients with intermittent claudication. J Vasc Surg. 2005;42(4):702-9.
101. Nicolai SP, Teijink JA, Prins MH. Multicenter randomized clinical trial of supervised exercise therapy with or without feedback versus walking advice for intermittent claudication. J Vasc Surg. 2010;52(2):348-55.
102. Bendermacher BL, Kruidenier LM, Nicolai SP, Welten RJ, Teijink JA. Supervised exercise therapy for intermittent claudication. Acta Chir Belg. 2007;107(6):616-22.
103. Wenkstetten-Holub A, Kandioler-Honetz E, Kraus I, Muller R, Kurz RW. [Effect of supervised exercise training on walking speed, claudication distance and quality of life in peripheral arterial disease]. Wien Med Wochenschr. 2012;162(15-16):330-6.
104. Collins TC, Lunos S, Carlson T, Henderson K, Lightbourne M, Nelson B, et al. Effects of a home-based walking intervention on mobility and quality of life in people with diabetes and peripheral arterial disease: a randomized controlled trial. Diabetes Care. 2011;34(10):2174-9.
105. King S, Vanicek N, Mockford KA, Coughlin PA. The effect of a 3-month supervised exercise programme on gait parameters of patients with peripheral arterial disease and intermittent claudication. Clin Biomech (Bristol, Avon). 2012 Oct;27(8):845-51.
106. Crowther RG, Spinks WL, Leicht AS, Sangla K, Quigley F, Golledge J. The influence of a long term exercise program on lower limb movement variability and walking performance in patients with peripheral arterial disease. Hum Mov Sci. 2009;28(4):494-503.
107. Crowther RG, Spinks WL, Leicht AS, Sangla K, Quigley F, Golledge J. Effects of a long-term exercise program on lower limb mobility, physiological responses, walking performance, and physical activity levels in patients with peripheral arterial disease. J Vasc Surg. 2008;47(2):303-9.
108. Izquierdo-Porrera AM, Gardner AW, Powell CC, Katzel LI. Effects of exercise rehabilitation on cardiovascular risk factors in older patients with peripheral arterial occlusive disease. J Vasc Surg. 2000;31(4):670-7.
109. Barak S, Stopka CB, Archer Martinez C, Carmeli E. Benefits of low-intensity pain-free treadmill exercise on functional capacity of individuals presenting with intermittent claudication due to peripheral arterial disease. Angiology. 2009;60(4):477-86.
110. Regensteiner JG, Meyer TJ, Krupski WC, Cranford LS, Hiatt WR. Hospital vs home-based exercise rehabilitation for patients with peripheral arterial occlusive disease. Angiology. 1997;48(4):291-300.
111. Regensteiner JG. Exercise in the treatment of claudication: assessment and treatment of functional impairment. Vasc Med. 1997;2(3):238-42.
112. Laukkanen JA, Kurl S, Salonen R, Rauramaa R, Salonen JT. The predictive value of cardiorespiratory fitness for cardiovascular events in men with various risk profiles: a prospective population-based cohort study. Eur Heart J. 2004;25(16):1428-37.
113. Morree JJ de, Jongert MWA, Poel G van der. Inspanningsfysiologie, oefentherapie en training. Tweede, herziene druk ed. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2011.
114. McArdle WD, Katch FI, Katch VL. Exercise Physiology: Energy, Nutrition, and Human Performance. 7th edition ed. Philadelphia: Lippincott Williams & Wilkins; 2009.
115. Jongert T, Benedictus J, Dijkgraaf J, Koers H, Oudhof J. Het gebruik van de Borgschaal bij bewegingsactiviteiten voor hartpatiënten. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, Hart in Beweging; 2004.
116. Lauret GJ, Dalen HC van, Hendriks HJ, Sterkenburg SM van, Koelemay MJ, Zeebregts CJ, et al. When is supervised exercise therapy considered useful in peripheral arterial occlusive disease? A nationwide survey among vascular surgeons. Eur J Vasc Endovasc Surg. 2012;43(3):308-12.
117. Gardner AW, Killewich LA, Montgomery PS, Katzel LI. Response to exercise rehabilitation in smoking and nonsmoking patients with intermittent claudication. J Vasc Surg. 2004;39(3):531-8.
118. Fritschi C, Collins EG, O’Connell S, McBurney C, Butler J, Edwards L. The Effects of Smoking Status on Walking Ability and Health-Related Quality of Life in Patients With Peripheral Arterial Disease. J Cardiovasc Nurs. 2012. Jul-Aug;28(4):380-6.
119. Platform Vitale Vaten. Zorgstandaard Cardiovasculair Risicomanagement 2013. Den Haag: 2013.
120. Banga JD, Dijk JL van, Dis I van, Giepmans L, Goudswaard AN, Grobbee DE, et al. NHG-Standaard Cardiovasculair Risicomanagement (eerste herziening). Huisarts Wet. 2012;55(1):14-28.
121. Hendriks HJM, Ettekoven H van, Reitsma E, Verhoeven ALJ, Wees J van der. Methode voor centrale richtlijnontwikkeling en implementatie in de fysiotherapie. Amersfoort: KNGF/NPi/CBO; 1998.