Andere artikelen

B. Verwijzing en rechtstreekse toegankelijkheid

B. Verwijzing en rechtstreekse toegankelijkheid

Het al dan niet aanbieden van fysiotherapie is afhankelijk van klachten van kortademigheid en afgenomen inspanningsvermogen en/of insufficiënt mucustransport. Voordat fysiotherapie kan worden opgestart, moet de medische behandeling optimaal zijn en dient de hulpvraag van de patiënt te worden geëvalueerd. Patiënten met COPD en patiënten met kortademigheidsklachten (ook niet-gediagnosticeerde patiënten met COPD) worden over het algemeen verwezen door de longarts of de huisarts.

In geval van ‘directe toegang fysiotherapie’ (DTF) moet de fysiotherapeut nagaan welk GOLD-stadium en welke MRC-score de patiënt heeft. Bij patiënten met stadium GOLD I en GOLD II zonder functionele beperkingen (MRC 2), die verder medicamenteus goed zijn ingesteld, kan de diagnostiek en eventuele behandeling worden ingezet. Aanbevolen wordt om, ook wanneer de conclusie ‘pluis’ is, uiteraard met instemming van de patiënt, contac op te nemen met de huisarts en/of medisch specialist in het kader van de onderlinge afstemming van de zorg. In andere gevallen, de patiënt heeft GOLD-stadium II met functionele beperkingen (MRC ≥ 2) of GOLD-stadium III of IV, of wanneer het GOLD-stadium niet bekend is, of de conclusie na screening is ‘niet-pluis’, wordt contact opgenomen met de huisarts of specialist. Voor verdere informatie omtrent ‘directe toegang fysiotherapie wordt verwezen naar de KNGF-richtlijn Fysiotherapeutische Verslaglegging.

Figuur 2 illustreert het pad dat de fysiotherapeut met de patiënt met afgenomen inspanningsvermogen kan bewandelen om te komen tot een van beide behandelvormen: het multidisciplinair revalidatieprogramma of het beweegprogramma onder toezicht van een eerstelijns fysiotherapeut. Het stroomdiagram in figuur 2 illustreert ook de continuïteit van de (transmurale) zorg bij COPD-patiënten. Na afloop van het multidisciplinaire revalidatieprogramma moet de inspanningstraining worden voortgezet in de vorm van beweegprogramma’s. Omgekeerd moeten patiënten die deelnemen aan een beweegprogramma worden doorgestuurd voor multidisciplinaire behandeling indien de aandoening verergert of na zware herhaalde acute exacerbaties.

Figuur 2. Stroomdiagram om patiënten naar het geschikte behandelbeleid te leiden bij symptomen die samenhangen met kortademigheid en afgenomen inspanningsvermogen.

COPD PRL 02

* De ‘Primary care physicians guideline’ en de ‘Transmural guideline for COPD’ raden een inspanningstest enkel aan voor patiënten met een verhoogd cardiovasculair risicoprofiel. De ‘ACSM guideline’ beveelt het uitvoeren van een inspanningstest aan voor elke oudere persoon, terwijl de ‘Physiotherapy guideline’ inspanningstesten aanbeveelt voor alle COPD-patiënten.
MRC = Medical Research Council dyspnea scale
FEV = forced expiratory volume

Patiënten met een mild tot matige aandoening (GOLD 1 en 2) en lichte achteruitgang van de inspanningscapaciteit (Medical Research Council dyspnea score; MRC-dyspneu < 2, zie tabel 1) kunnen worden betrokken bij regelmatige sportactiviteiten.

Tabel 1. Medical Research Council dyspneu schaal.

Graad Beschrijving
1 Ik ben nooit kortademig, tenzij bij extreme inspanning.
2 Ik ben kortademig als ik bergop moet lopen.
3 Ik kan leeftijdsgenoten op vlak terrein niet volgen.
4 Ik word kortademig van 100 meter wandelen.
5 Ik ben te kortademig om het huis te verlaten.

Patiënten in een meer gevorderd stadium van de ziekte (GOLD 3 en 4) moeten worden gezien door een longarts voor verdere multidisciplinaire evaluatie en behandeling.

Patiënten met een milde aandoening die echter een ernstig verminderde functionele capaciteit (MRC-dyspneu ≥ 2) of verhoogd risico op een cardiovasculaire aandoeningen (leeftijd roken, lage fysieke activiteit) laten zien, moeten een formele inspanningsevaluatie ondergaan om de afgenomen inspanningscapaciteit verder te analyseren en om de veiligheid tijdens training te waarborgen.

Aantal keren bekeken: : 4983