Aanbevelingen KNGF-richtlijn Lage rugpijn

NB Het nummer dat is toegekend aan een aanbeveling heeft geen inhoudelijke betekenis.

1 Meetinstrumenten (niveau 4)

Voor het in kaart brengen van beperkingen in activiteiten en participatieproblemen zijn volgende meetinstrumenten geschikt:

  • Numeric Rating Scale Pijn (NRS Pijn);
  • Patiënt Specifieke Klachten (PSK);
  • Quebec Back Pain Disability Scale (QBPDS).

NB. De werkgroep doet geen aanbevelingen over specifieke vragenlijsten die kunnen worden gebruikt om de herstelbelemmerende factoren in kaart te brengen.

 

2 Klinische predictieregels (niveau 4)

Het nut van klinische predictieregels bij lage rugpijn is tot op heden onvoldoende aangetoond. Toepassing van deze regels in de praktijk wordt in deze richtlijn daarom niet aanbevolen.


3 Lichamelijk onderzoek (niveau 4)

  • Bij een vermoeden van lumbosacraal radiculair syndroom moet een straight leg raising (SLR) worden uitgevoerd. 
  • De volgende bevindingen duiden op een lumbosacraal radiculair syndroom: 
    • een positieve SLR (het teken van Lasègue)
    • spierzwakte
    • een vinger-vloerafstand > 25 cm bij vooroverbuigen

Kwaliteit van de gevonden artikelen: Vroomen et al., 201035.


4 Beleid bij aspecifieke lage rugpijn met een normaal beloop (profiel 1) (niveau 1 en 2)

  • Stel gerust.
  • Leg uit dat rugpijn niet ernstig is, vaak vanzelf overgaat, maar wel eens kan terugkomen.
  • Adviseer bij voorkeur geen continue bedrust. Adviseer een bedrust van maximaal 2 dagen als bedrust de enige manier is waarop de patiënt de pijn onder controle kan houden en leg uit dat de bedrust daarna moet worden afgebouwd.
  • Vermijd adviezen die de patiënt aanzetten tot passiviteit en stimuleer een lichamelijk actieve leefstijl.
  • Geef aan dat toename van activiteit niet samengaat met beschadiging van structuren in de rug.
  • Leg uit dat (gedoseerde) beweging, opbouw van activiteiten, blijven werken of zo nodig hervatten van werkzaamheden (eventueel met tijdelijke aanpassing van werkzaamheden) het herstel bevordert.
  • Beperk het aantal behandelingen tot maximaal 3 zittingen.

Kwaliteit van de gevonden artikelen: B (Dahm et al., 201047; Hayden et al., 200563; Dagenais et al., 201055).


5 Beleid bij aspecifieke lage rugpijn met een afwijkend beloop zonder dominante aanwezigheid van psychosociale herstelbelemmerende factoren (profiel 2) (niveau 1, 2 en 3)

  • Vermijd adviezen die de patiënt aanzetten tot passiviteit en stimuleer een lichamelijk actieve leefstijl.
  • Geef aan dat toename van de pijn niet samengaat met beschadiging van structuren in de rug.
  • Stimuleer (gedoseerde) beweging, opbouw van activiteiten en blijven werken of het hervatten van werkzaamheden (eventueel met tijdelijke aanpassing van die werkzaamheden).
  • Stel een oefenprogramma op dat aansluit bij de behoefte van de patiënt en de eigen expertise en ervaring als therapeut.
  • Overweeg bij stoornissen in gewrichtsfuncties:
    • artrogene mobilisatie of manipulatie* en/of 
    • kortdurende massage of warmtetherapie ter vermindering van de pijn.
  • Vraag bij werkverzuim langer dan 4 weken naar afspraken die zijn gemaakt met de bedrijfsarts en bespreek indien nodig het beleid met deze arts en/of de bedrijfsfysiotherapeut.

NB. De werkgroep ontraadt elektrotherapie, TENS, UKG, ultrageluid en tractie vanwege gebrek aan evidentie.
*Verwijs hiervoor eventueel door naar een manueel therapeut.

 

Kwaliteit van de gevonden artikelen: A1 (Engers et al., 200846; Oesch et al. 201154 en Rubinstein et al., 201056) en B (Van Middelkoop, 201148; Hayden et al., 200550; Macedo 200951; Machado, 200652; Rubinstein et al., 201056; Furlan et al., 200857; French et al., 200658 en Chou et al., 200759).

 

6 Beleid bij aspecifieke lage rugpijn met een afwijkend beloop met dominante aanwezigheid van psychosociale herstelbelemmerende factoren (profiel 3) (niveau 1, 2 en 3)

  • Adviseer de patiënt te blijven bewegen en informeer hem erover dat bewegen geen kwaad kan en zelfs leidt tot sneller herstel.
  • Benadruk dat de aanwezige psychosociale factoren (depressieve gevoelens, angst voor bewegen, catastroferen etc.) een ongunstige invloed kunnen hebben op het herstel.
  • Adviseer contact op te nemen met de huisarts, bedrijfsarts, en/of psycholoog als ernstige of persisterende psychosociale factoren het herstel belemmeren en bespreek het te volgen beleid.
  • Bespreek het beleid met de bedrijfsarts, de bedrijfsfysiotherapeut of de arbodienst indien zwaar lichamelijk werk, langer durend ziekteverzuim of een arbeidsconflict het herstel belemmeren of als samenwerking het herstel bespoedigt.
  • Stimuleer (gedoseerde) beweging, opbouw van activiteiten, blijven werken of zo nodig hervatten van werkzaamheden (eventueel met tijdelijke aanpassing van werkzaamheden).
  • Schrijf een tijdcontingent oefenprogramma voor. 
  • Probeer in geval van werkverzuim doelen van het oefenprogramma samen te laten vallen met doelen voor werkhervatting.
  • Neem contact op met de huisarts indien de behandeling na 3-6 weken geen effect heeft gehad (in de zin van toename van activiteiten en participatie) en beëindig de behandeling.

Kwaliteit van de gevonden artikelen: B (Macedo et al., 201061) en C (Macedo et al. 201061 en Henschke et al., 201060).