Andere artikelen

A. Inleiding

A.1 Doelstelling en doelgroep

A.2 Afbakening van de richtlijn

A.3 Prognose en beloop

A.4 Directe toegankelijkheid fysiotherapie (DTF)

A.2 Afbakening van de richtlijn

Lage rugpijn wordt doorgaans ingedeeld in specifieke en aspecifieke lage rugpijn. In deze richtlijn verwijst de term lage rugpijn naar ‘aspecifieke lage rugpijn’ tenzij anders aangegeven.

  • Aspecifieke lage rugpijn wordt gedefinieerd als rugpijn waarvoor geen aanwijsbare specifieke oorzaak voor de klachten te vinden is. Dit is het geval bij ongeveer 90% van alle patiënten met lage rugpijn. Bij deze patiënten staat pijn in de lumbosacrale regio op de voorgrond. Ook kan uitstraling in de bil en het bovenbeen optreden. De pijn kan verergeren door bepaalde houdingen, bewegingen en het tillen of verplaatsen van lasten. Er zijn geen algemene ziekteverschijnselen zoals koorts of gewichtsverlies. De pijn kan continu aanwezig zijn of in episoden optreden.
  • Specifieke lage rugpijn wordt onderscheiden in:
    • het lumbosacraal radiculair syndroom: een vorm van specifieke lage rugpijn met radiculaire pijn in 1 been, die al dan niet gepaard gaat met neurologische uitvalsverschijnselen;
    • rugpijn als gevolg van een mogelijk ernstige onderliggende specifieke aandoening, zoals (osteoporotische) wervelfracturen, maligniteiten, spondylitis ankylopoetica, ernstige vormen van kanaalstenose, of ernstige vormen van spondylolisthesis.
Aantal keren bekeken: : 11165